uitbreken

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) zichzelf bevrijden uit gevangenschap
    De paarden waren uitgebroken uit de stal.
  2. erga (erga) plotseling beginnen van een oorlog, ramp, ziekte e.d
    In 1967 stond de Derde Wereldoorlog op het punt om uit te breken.
  3. ov (ov) het verwijderen van een deel van een gebouw, zoals een muur of een vloer
    Deze muur wordt uitgebroken en er wordt een stuk aangebouwd aan de keuken.

Vertalingen

Duitsausbrechen, ausbrechen, herausbrechen