uitdagen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iemand met woord of daad tot actie prikkelen
    Smalend daagde hij zijn tegenstander uit tot een partijtje armpjedrukken.
    Hij ging altijd in discussie en kon met een stevige stelling mensen goed uitdagen.
    Hij keek de man van toi nu recht aan. Daagde hem met zijn blik uit om een weerwoord te geven.
  2. ov (ov) provoceren, uit de tent lokken
    Daag me nu niet uit!

Vertalingen

Engelschallenge
Fransdéfier, provoquer
Duitsherausfordern, provozieren
Spaansdesafiar