uitdoen

/ˈœydun/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) uitschakelen
    Hij deed het licht uit.
  2. ov (ov) kleding afleggen
    De stripper deed tergend langzaam haar bloesje uit.
  3. ov (ov) (van aardappelen) oogsten door uit de grond te halen

Vertalingen

Engelsdouse, extinguish, put out
Franséteindre
Duitsausmachen, ausschalten, ausziehen