uitkopen
/œytkopə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) door geld afkopen, iemand geld betalen om daardoor bepaalde rechten te verwerven of van bepaalde verplichtingen ontslagen te zijn, bijvoorbeeld als aandeelhouder iemands rechten als deelhebber afkopen
- (ov) (een winkel)) geheel leegkoopen
- (ov) (een voorraad) geheel opkoopen
- iemand geld betalen zodat hij zijn bedrijf stoptDe eerste en rigoureuste optie: uitkopen. Hierbij stoppen boeren met hun bedrijf en ontvangen zij daar geld voor. Hiervoor zijn twee regelingen opgezet: een landelijke en een provinciale.
werkwoord
- (refl) zich vrijkopen, afkopen
Vertalingen
Duitsabfinden, entschädigen, loskaufen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek