uitslapen

/ˈœytslapə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) 's ochtends langer slapen dan normaal
    Ik ga morgen zeker uitslapen.
    Na twee dagen uitslapen was ik nog steeds niet klaar om de bergen weer in te gaan en besloot derhalve naar het woestijndorpje Bishop te liften, 60 kilometer verderop, waar ik een aantal bekende gezichten hoopte te zien in het beroemde Hostel California.

Vertalingen

Engelshave one's sleep out, sleep late
Fransfaire la grasse matinée, dormir tard
Duitsausschlafen
Poolswyspać się