uitspreken
Betekenis
werkwoord
- (ov) het (geschreven) woord in klank omzettenDe ij en de ei worden hetzelfde uitgesproken.Er viel as van mijn sigaret op mijn pantalon terwijl ik de naam van die stad uitsprak. Hij had het gezien en voordat ik kon protesteren, had hij een van zijn witte handschoenen uitgetrokken en wijdde hij zich met volledige aandacht aan het werkje om mijn broekspijp daarmee af te kloppen. Hij had magere, donkere handen.’s Avonds spreken ze voor het eten samen het tafelgebed uit. Zowel voor hen als voor ons een verrijking.”
- (refl) zich ~: een beslissing mededelenDe Onderwijsinspectie hoeft een vernietigend rapport over het Cornelius Haga Lyceum niet in te trekken. Het gerechtshof in Den Haag wil zich in hoger beroep niet uitspreken over de rechtmatigheid van het document.
- het geven van een mening’Ik zou hem nooit zoiets laten doen.’ Deze zin, die verschillende mensen voor vertrek tegen mij uitspraken, spookte al een tijd door mijn hoofd.Sunak en Javid behoren beiden tot de Conservatieve Partij van Johnson. Binnen zijn eigen partij werd al langer gevraagd om het vertrek van de premier. Zo overleefde Johnson begin juni nipt een vertrouwensstemming, waarbij minder dan zes op de tien partijgenoten steun voor hem uitspraken.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek