uitstralen

/ˈœytstralə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) energie of materie (straalsgewijs) verspreiden
  2. ov, figuurlijk (ov) (figuurlijk) op duidelijke wijze tonen
    hij straalde zelfvertrouwen uit
    Ze straalde een enorme rust uit en ik voelde me totaal niet bedreigd.

Vertalingen

Engelsemit, radiate
Spaansemanar, irradiar