uitstralen
/ˈœytstralə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) energie of materie (straalsgewijs) verspreiden
- (ov) (figuurlijk) op duidelijke wijze tonenhij straalde zelfvertrouwen uitZe straalde een enorme rust uit en ik voelde me totaal niet bedreigd.
Vertalingen
Engelsemit, radiate
Spaansemanar, irradiar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek