uitval

/ˈœytfɑl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. militair (militair) plotselinge actie vanuit een fort of belegerde stad
    De uitval kwam als een volslagen verrassing.
  2. plotselingen uitbarsting van woede
    Die uitval werd hem niet in dank afgenomen.
  3. ophouden te functioneren, niet tot wasdom komen
    Er is veel uitval onder de eerstejaars.
  4. industrie (industrie) tijdens het productieproces gemaakte producten die niet aan de interne kwaliteitseisen voldoen en weggegooid worden
  5. veeteelt (veeteelt) op een boerderij de sterfte van dieren door ziektes, verzwakking of uitdroging

Etymologie

* , (stam van het werkwoord vallen)