uitvaren
/ˈœytfarə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) met een vaartuig een nauw water, zoals een haven verlatenZij voeren de sluis uit.
- (erga) zijn zelfbeheersing verliezen en meer zeggen dan verstandig isToen hij dat hoorde voer hij uit tegen haar dat de glazen er van rinkelden.
- archaïsch een uitvaart houden, naar het graf vervoerd worden
Vertalingen
Engelssail out, blow one's top
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek