vandalisme
onzijdig (het)/vɑndaˈlɪsmə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- moedwillige en nodeloze beschadiging of vernietiging van andermans of openbaar eigendomontelbaar moeten dus de schatten van Kunst zijn die men hier bij een vindt, en nog veel grooter zou derzelver aantal wezen, indien niet de schenzuchtige handen van het vandalisme, en het Dictatorschap van R O B E S P I E R R E, met eene woestheid zonder wedergade, veele uitmuntende stukken bedorven of geheel en al vernietigd hadden.
Etymologie
* van "vandalisme", op te vatten als afgeleid van "Vandaal" : de waren een volk dat in de 5e eeuw op een verwoestende manier door West-Europa trok; in de betekenis van ‘vernielzucht’ voor het eerst aangetroffen in een geschiedkundig werk van 1797 (zie vindplaats hieronder), geschreven met een kleine letter volgens
Vertalingen
Engelsvandalism
Fransvandalisme
DuitsVandalismus
Spaansvandalismo
Portugeesvandalismo
Russischвандализм
Chinees破壞
Japansヴァンダリズム
Turksvandallık
Poolswandalizm
Zweedsskadegörelse
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek