vasten

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een tijd waarin men zich meest om religieuze redenen bepaalde zaken, veelal voedsel, ontzegt
    Tijdens de vasten was hij door ziekte genoopt van zijn gelofte af te zien.
werkwoord
  1. inerg (inerg) zich onthouden van voedsel
    Hij vastte soms een dag.

Etymologie

* In de betekenis van ‘niet eten of drinken’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Vertalingen

Engelslent, fast
Franscarême, jeûne, jeûner
DuitsFastenzeit, fasten
Spaansayuno, ayunar
Italiaansdigiunare
Zweedsfastetid, fasta
Deensfaste