vastgoedbranche

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bedrijfstak die zich richt op het exploiteren van huizen en gebouwen
    Wel neemt de rechter het kwalijk dat Stroink altijd hoog opgaf over integriteit en dat hij zichzelf "het geweten van de vastgoedbranche" noemde. "De realiteit is volgens de rechtbank heel anders. De omkoopconstructie was zo geraffineerd opgezet dat ontdekking nagenoeg uitgesloten was."
    Ook hield de bank onvoldoende rekening met de extra risico's bij bedrijven of ondernemers uit onder meer de autobranche en de vastgoedbranche, terwijl er volgens de ACPR extra kans op witwassen is deze sectoren.