vastgoedmarkt

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈvɑstxutˌmɑrᵊkt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. handel in onroerend goed
    Met een oproep tot steun aan de lokale boekhandel alleen ga je het gevecht niet winnen. Ik had twee serieuze overnamekandidaten, maar met de vastgoedmarkt in Amsterdam en de marktconforme huurverhoging die aanstaande is, is een overname financieel uitzichtloos.
    De vraag is hoe stevig de onderliggende economie is, en hoe groot het vermogen om een zware klap op te vangen. Positief: de werkloosheid is laag, de bedrijfswinsten waren gezond en er is, via de vastgoedmarkten en aandelenbeurzen flink wat vermogen opgebouwd.
  2. verzamelterm voor handelaars in onroerend goed
    Programmamanager Vries ziet „absoluut” de waarde in van goedkope bedrijfsruimtes. „Natuurlijk is het een gevaar dat bij succes van een gebied de vastgoedmarkt het overneemt.” Maar er zijn mogelijkheden – ze noemt als voorbeeld voormalig pakhuis Keilepand: gebruikers kochten dit gebouw zelf van de gemeente. Vries: „Eigenaarschap is een manier om te voorkomen dat investeerders de boel overnemen. En we onderzoeken of we kunnen sturen op de bestemming bij de verkoop van kavels.”