veer
mannelijk/vrouwelijk (de)/ver/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- lichaamsbedekking van een vogelVogels in de rui verliezen hun veren.
- (techniek) mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan wordenHet veertje was gebroken en dit bracht het uurwerk tot stilstand.
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) boot of schip toegewijd aan het onderhouden van een regelmatige verbinding over een rivier of een ander waterHet veer tussen Perkpolder en Kruiningen is uit de vaart genomen.
- (bedrijf) dienstverlening die mensen en hun vervoermiddelen naar de overkant van een rivier of ander water brengt
- (aardrijkskunde) plaats waar men over een rivier of andere watervlakte kan worden overgezetToen de brug vernield was, moest men zich met een veer behelpenHij toog over het veer van de Jabbok (Gen. 32 : 22)
Etymologie
*[B] (erfwoord) via Middelnederlands "vere" van Oudnederlands "fera", als toponiem aangetroffen vanaf 1174
Vertalingen
Engelsfeather, spring, ferry
Fransplume, ressort, bac
DuitsFeder, Feder, Fähre
Spaanspluma, resorte, muelle
Italiaanspiuma, molla, traghetto
Portugeesmola
Russischперо, пружина, паром
Chinees弹簧
Japansばね
Koreaans용수철
Arabischنابض
Turksyay
Poolspióro, sprężyna
Zweedsfjäder, fjäder
Deensfjeder
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek