veertig

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈfertəx/

Betekenis

telwoord
  1. "40", het getal tussen negenendertig en eenenveertig, vier maal tien
  2. om een hoeveelheid aan te geven
    De totale kosten bedragen veertig euro en zevenendertig cent.
    De Zweedse bossen konden kant-en-klare stammen van twintig meter leveren, maar voor het werk met de palen in de rivier hadden ze de dubbele lengte nodig. Ze moesten daarom twee stammen samenvoegen om een paal van veertig meter te krijgen.
    Op de sporadische brieven die voor haar kwamen, gewoonlijk van de bank in Kramfors, werd ze aangesproken met 'Juffrouw Britta Karlsson'. Ze zag er zonder meer uit alsof ze nog geen veertig was. Als ze een zoon had die in de twintig was, zou ze hem dus moeten hebben gekregen op zestien- à zeventienjarige leeftijd.
  3. om een plaats in een volgorde aan te geven
    Het was een lange slanke vent van in de veertig, en in tegenstelling tot alle andere hikers was hij glad geschoren met een verzorgde, gezonde uitstraling.
zelfstandig naamwoord
  1. dat wat in een (rang)ordening met 40 is aangeduid
    Het is weer de veertig die het niet doet, kunnen we die niet simpel vervangen?
    Haar eenenveertigste verjaardag was een belangrijk moment, want haar leven werd heel anders toen ze de veertig eenmaal voorbij was.
  2. groep van 40 eenheden
    De veertig zijn natuurlijk blij, maar laten we ook denken aan het verdriet van de vier die zijn afgewezen.

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "viertich" van Oudnederlands "fiertig", als telwoord voor het eerst aangetroffen in de Lex Salica (509-800); afgeleid van "vier" en een klankverandering ie (/i/) - ee (/e/) voor een r-klank plus dentaal

Uitdrukkingen

  • ruim veertig

Vertalingen

Engelsforty
Fransquarante
Duitsvierzig
Spaanscuarenta
Italiaansquaranta
Portugeesquarenta
Russischсорок
Chinees四十
Japans四十, しじゅう
Koreaans마흔
Arabischاربعون
Turkskırk
Poolsczterdzieści
Zweedsfyrtio
Deensfyrre