veine

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈvɛinə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. toevallige voorspoed, gunstig resultaat door toeval, bijvoorbeeld bij het gokken
    In 'De rokken van de ui' heeft Grass het alleen maar over een lotgenoot die Joseph heette. Dat zou een gelovige jongen zijn geweest, die grossierde in dogma’s, en in het spel veel veine had. ‘Hij gooide altijd beter dan ik’, lezen we, ‘en citeerde bij het dobbelen de heilige Augustinus alsof diens bekentenissen in het Latijn voor hem lagen.’

Etymologie

*van "veine"