ventster

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vrouw die goederen huis-aan-huis verkoopt
    Het vuur was bijna gedoofd; de oude ventster sliep, haar voeten onder de sjaals en lompen gestopt, zo dicht mogelijk bij het vuur gezeten.
    Het was al na Samhain, toen er een ventster naar het kasteel kwam.

Etymologie

* afleiding van van venten