verbrodden

/vərˈbrɔdə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. iets verknoeien of kapot maken
    De opdracht was duidelijk: winnen en de titel was een feit. Maar der Rekordmeister begon nonchalant aan de partij. Augsburg startte wél enthousiast en kwam zelfs op voorsprong. Verdediger Boateng stond nog te slapen en liet zich kinderlijk makkelijk de bal afsnoepen. De Augsburg-spits kon alleen op doelman Ulreich af, maar zag zijn poging geweerd worden. Geen erg, want de bal vloog pardoes in het gezicht van Süle, die zo een wel heel ongelukkige onwgoal maakte. Het zou toch niet waar zijn dat Augsburg het feestje ging verbrodden? De Standaard 07/04/2018 door rahe [http://www.standaard.be/cnt/dmf20180407_03451433 Kapitale blunder heeft geen gevolgen: Bayern München wint overtuigend en pakt zesde titel op rij]

Etymologie

* afleiding van brodden

Vertalingen

Engelsspoil