verkoop
/ˈvɛrkop/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (handel) het verkopen (voor geld aan een ander geven)Ze haalt alle kleren uit haar kast en stopt ze in een linnen zak, samen met de overgebleven guldens van de verkoop van de kaart.Voor Nella is het alsof ze vliegt, alsof deze merrie geen vlugge verkoop is van een vermoeide stalknecht die de hele nacht bier heeft geserveerd aan treurige oude mannen, maar Pegasus zelf, geboren uit het gespleten lichaam van Medusa.
Uitdrukkingen
- Iemand (geen) knollen voor citroenen verkopen — iemand (niet) gemakkelijk kunnen bedriegen
- Iets voor een appel en een ei verkopen — voor een erg lage prijs verkopen
- Je moet de huid van de beer niet verkopen voor hij geschoten is — men viert best de overwinning niet alvorens die heeft plaatsgevonden
Vertalingen
Engelssale
DuitsVerkauf
Spaansventa
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek