verkoop

/ˈvɛrkop/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. handel (handel) het verkopen (voor geld aan een ander geven)
    Ze haalt alle kleren uit haar kast en stopt ze in een linnen zak, samen met de overgebleven guldens van de verkoop van de kaart.
    Voor Nella is het alsof ze vliegt, alsof deze merrie geen vlugge verkoop is van een vermoeide stalknecht die de hele nacht bier heeft geserveerd aan treurige oude mannen, maar Pegasus zelf, geboren uit het gespleten lichaam van Medusa.

Uitdrukkingen

  • Iemand (geen) knollen voor citroenen verkopeniemand (niet) gemakkelijk kunnen bedriegen
  • Iets voor een appel en een ei verkopenvoor een erg lage prijs verkopen
  • Je moet de huid van de beer niet verkopen voor hij geschoten ismen viert best de overwinning niet alvorens die heeft plaatsgevonden

Vertalingen

Engelssale
DuitsVerkauf
Spaansventa