vetbuik

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een dik persoon
    Giftig, met woede-blik, mengde zich 't klein-zwarte makelaartje in 't gesprek, even schuin achter zich ziend naar de deur of Bresser nog niet terug was, en ie wel spreken kòn, wegduwend in drift armen en wijshand van den vetbuik. (1901)–Israël Querido [https://www.dbnl.org/tekst/quer002leve01_01/quer002leve01_01_0015.php Levensgang: roman uit de diamantwerkerswereld]