vlaai

mannelijk/vrouwelijk (de)/vlaj/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (m) (voeding) plat cirkelvormig gebak met opstaande rand, dat normaliter opgevuld wordt met vruchten en vooral bekend is als lokale lekkernij in Belgisch en Nederlands Limburg
  2. dierkunde (dierkunde) uitwerpselen van een koe

Etymologie

* Afkomstig van het zuidoostelijke taalgebied (Brabant, Limburg), uit Vroegnieuwnederlands vlaeye, samengetrokken uit Middelnederlands vlāde ‘taart, koek’, ontwikkeld uit Oergermaans *flaþōn- ‘plat voorwerp’; evenals Duits Fladen en Middelengels flathe, beide ‘platte koek’.

Uitdrukkingen

  • Op een verbrande vlaai strooit men [[suikerZelfstandig naamwoordsuiker]]|Gemaakte fouten probeert men te verdoezelen

Vertalingen

Engelstart, cowpat, cowpie
Fransgalette, bouse
DuitsKuchen, Obstkuchen, Kuhfladen
Spaansflan