vlaai
mannelijk/vrouwelijk (de)/vlaj/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (m) (voeding) plat cirkelvormig gebak met opstaande rand, dat normaliter opgevuld wordt met vruchten en vooral bekend is als lokale lekkernij in Belgisch en Nederlands Limburg
- (dierkunde) uitwerpselen van een koe
Etymologie
* Afkomstig van het zuidoostelijke taalgebied (Brabant, Limburg), uit Vroegnieuwnederlands vlaeye, samengetrokken uit Middelnederlands vlāde ‘taart, koek’, ontwikkeld uit Oergermaans *flaþōn- ‘plat voorwerp’; evenals Duits Fladen en Middelengels flathe, beide ‘platte koek’.
Uitdrukkingen
- Op een verbrande vlaai strooit men [[suikerZelfstandig naamwoord — suiker]]|Gemaakte fouten probeert men te verdoezelen
Vertalingen
Engelstart, cowpat, cowpie
Fransgalette, bouse
DuitsKuchen, Obstkuchen, Kuhfladen
Spaansflan
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek