vliegen
/ˈvliɣə(n)/
Wat is de betekenis van vliegen?
vliegen betekent: (inerg) zich door de lucht voortbewegen
Betekenis
werkwoord
- (inerg) zich door de lucht voortbewegen
- (inerg) zich door de lucht voortbewegen met behulp van een vliegtuig
- heel snel en gehaast voortbewegen
- snel gaan; snel bewegen
zelfstandig naamwoord
- (tweevleugeligen) een onderorde van de tweevleugeligen (Diptera). De onderorde omvat zo'n 120 families. De meest bekende vlieg is de huisvlieg, een lid van de familie echte vliegen (Muscidae)
Voorbeelden van "vliegen" in een zin
- Hoe vaak per jaar vliegt u naar het buitenland?
- Mijn vrouw houdt niet van vliegen waardoor zij dertig jaar geleden de bewuste keuze heeft gemaakt dat nooit meer te doen.
- Maar Duitsland spaarde hen en liet hen ongestoord naar hun eiland vliegen om hun wonden te likken.
- Toen zij weer bij het paleis kwamen, vlogen alle Pieten naar buiten en riepen: `Hebben jullie de toverdrank?'
- De wildste scenario’s vlogen door mijn hoofd.
Etymologie
*: "vlieg" met de uitgang -en
Uitdrukkingen
- in de lucht vliegen — exploderen
- vliegende start — bij een race met tijdmeting: de tijd en afstand van het op gang komen tellen niet mee
- vliegende start — figuurlijk: snel op gang komen
- ik zie ze vliegen — figuurlijk: in de war of gek zijn
- ik zie ze vliegen — figuurlijk: ik heb grote honger (Belgisch-Nederlands)
- we zij hier niet om vliegen te vangen — we zijn hier om te werken niet om onze tijd te verdoen met onnutte zaken
Vertalingen
Engelsfly
Fransvoler
Duitsfliegen
Spaansvolar
Italiaansvolare
Portugeesvoar
Russisch(про)летать
Chinees驾驶飞机
Japans飛ぶ
Turksuçmak
Poolslatać
Zweedsflyga
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek