vliesvleugeligen

/vlisˈfløɣələɣə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een orde een grote orde van insecten die vertegenwoordigd wordt door ruim 150.000 verschillende soorten. De vliesvleugeligen danken hun naam aan de dunne en doorzichtige vleugels. Bekende vliesvleugeligen zijn mieren, wespachtigen, bijen en hommels
    Van alle 150.000 soorten ‘vliesvleugeligen’ – de orde waartoe ook de bij en de mier behoren – bestaat zo'n 80 procent uit wespen.

Etymologie

*[2] leenvertaling van Latijn "hymenoptera" en "ὑμενόπτερα", gevormd met "ὑμήν" (humèn) "vlies" en "πτερόν" (pterón) "vleugel"