vloeien
/ˈvlujə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) zacht stromenDe honing was uit de omgevallen pot gevloeid.
- (inerg) (gezegd van papier) inkt opzuigenHet goedkope papier vloeit zo sterk dat je geen vulpen kan gebruiken.
- (ov) met vloeipapier droogmakenHij vloeide voorzichtig het opstel dat hij met zijn kroontjespen geschreven had.
- (erga) (fysiologie) bloeden uit je vagina (bij menstruatie of door een aandoening)Eenmaal ongesteld had ik hier echt enorm last van, zelfs zoveel last dat ik elke maand ziek thuis in bed lag, ik vond het echt verschrikkelijk en had heel veel last van buikpijn, steken en heel erg vloeien.
Etymologie
*van Middelnederlands "vloeyen", in de betekenis van ‘stromen’ aangetroffen vanaf 1240
Vertalingen
Engelsflow
Franscouler
Duitsfließen
Spaansmanar, fluir
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek