vloerplank

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een van de planken die een houten vloer maken
    De nieuwe eigenaren van een kasteel in de Franse Alpen keken vreemd op toen ze bij een renovatie de vloerplanken vervingen. Op de onderkant van de vloerdelen stonden allerlei teksten geschreven.
    Consumenten moeten in de winkel in één oogopslag kunnen zien of het tuinmeubulair, de schutting of de vloerplanken gemaakt zijn van ’goed’ of ’fout’ hout.

Vertalingen

Engelstongued and grooved boarding, flooring board, floor board