volbloed

mannelijk (de)/ˈvɔlblut/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. paard van een zuiver ras
    Het paard van de buren was een volbloed.

Etymologie

*: (intensief), terugvorming uit "volbloedpaard" of (verkorting) van "volbloedig"

Vertalingen

Engelsfull-blooded
Franspur-sang
DuitsVollblüter
Spaanspurasangre