volbloed
mannelijk (de)/ˈvɔlblut/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- paard van een zuiver rasHet paard van de buren was een volbloed.
Etymologie
*: (intensief), terugvorming uit "volbloedpaard" of (verkorting) van "volbloedig"
Vertalingen
Engelsfull-blooded
Franspur-sang
DuitsVollblüter
Spaanspurasangre
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek