volbouwen

/ˈvɔlbɑuwə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) een bepaald gebied geheel met gebouwen vullen
    Als we niet oppassen raakt het Groene Hart helemaal volgebouwd.
    Nobelen uit vorige eeuwen hadden het eiland volgebouwd met hun pronkpalazzi en de kieren die toevallig ontstonden tussen de wereldwonderen in, moesten maar als straat dienen. Wie zich wil verplaatsen in Venetië moet voortdurend om het exhibitionistische vertoon van liefde voor de stad van zijn voorgangers in deze stad heen lopen.
werkwoord
  1. ov (ov) een bouwsel voltooien
    Als het huis volbouwd is, breekt men de steigers af.|Als het karwei geklaard is, vergeet men wie geholpen heeft.