vuurwerk
onzijdig (het)/ˈvyrwɛrᵊk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- één of meerdere voorwerpen die gevuld zijn met ontploffende, brandbare en lichtgevende stofmengsels.Wij steken altijd vuurwerk af in onze straat.Des avons was de heele stadt verlicht en om 10 uren wiert een schoon vuurwerk op de Mart, voor het huijs van den heer prefect geplaest, afgeschoten, welke tot elf uren geduerde en onder het afschieten van eene menigte logtfuseijen veele konstige werken in het vuur vertoonde, veel schoonder als men nog een vuurwerk geduerende al den Franschen tijdt gesien heeft.{{ouds
- een hoop onrust en gedoeAls de VVD echt besluit met Saelens in zee te gaan, kunnen we nog heel wat vuurwerk verwachten. Reformatorisch Dagblad Gerard Vroegindeweij 21-1-2019[https://www.rd.nl/vandaag/politiek/het-knettert-in-de-coalitie-dankzij-reclameman-1.1542048 Het knettert in de coalitie dankzij reclameman]Terwijl de steradvocaat een vuurwerk van verontwaardiging afstak tegen directeur Curtholmen voor de ongeëvenaarde brutaliteit om je eisen deels te baseren op laster en deels op morele regels die eerder thuishoorden in de negentiende eeuw dan in onze tijd, besefte Eric dat hij het helemaal eens was met bijna alles wat de tegenpartij beweerde.
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘lichtgevende, ontploffende voorwerpen die bij feestelijke gelegenheden worden aangestoken’ voor het eerst aangetroffen in 1591
Vertalingen
Engelsfirework
Fransfeu d'artifice
DuitsFeuerwerk
Spaansfuegos artificiales
Italiaansfuochi d'artificio, fuochi artificiali
Portugeesfogo artificial
Japans花火
Turksdonanma fişekleri, havai fişek
Poolssztuczne ognie, fajerwerki
Deensfyrværkeri
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek