wachtvuur

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vuur dat in de nacht bij een kampement brandt
    De tijd spant zeereiskaarten op de wandenvan mijn ziel. Vóór het open ogenraamhet knagend wachtvuur van het lied blijft brandenbij deze dode zee, mijn jeugd: uw naam. Simon van Loo [https://www.dbnl.org/tekst/_die004195501_01/_die004195501_01_0054.php De lange omvaart]
    ‘Ja,’ zei Jan, die plotseling een aangenaam idée kreeg, ‘dan legeren zij zich om hun wachtvuur. Zeg jongens, dat moeten wij ook doen, en dan wordt het zelfs nog aardig. Ik krijg er zin in.’ (1907)–C.J. Kieviet [https://www.dbnl.org/tekst/kiev001club02_01/kiev001club02_01_0009.php De club op reis]