wantrouwigheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het andere mensen niet vertrouwen
    In deze stijl begrijpen we de voorkeur voor de vele zware substantieven op -heid (Hij bedwong zijn ongeduldigheid, ‘zonder haastigheid,’ ‘buien van driftigheid, dan weer van wantrouwigheid’) boven de actiever vormen: ongeduld, haast, drift, wantrouwen; - van analyserende constructies als: ‘Van den eersten dag was de onaangenaamheid in huis, van grove of hatelijke opmerkingen aan de eene zijde, van verzwegen gegriefdheid aan de andere.’ De Nieuwe Taalgids. Jaargang 32(1938) [https://www.dbnl.org/tekst/_taa008193801_01/_taa008193801_01_0032.php De noodlots-idee bij Van Schendel.]
    De karakterschildering is over het algemeen juist en door welaangebragte contrasten treffend: zeer schoon staat de weelderige Jacoba tegen de kuische en hopeloos minnende Bertha over; de eergierige en listige Brederode tegen den braven, zachtzinnigen Eggert; de vadzige en welgebuikte Abt van Egmond tegen den krachtigen Arkel, wiens wantrouwigheid alleen niet in dergelijke karakters schijnt te passen. Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1830 [https://www.dbnl.org/tekst/_vad003183001_01/_vad003183001_01_0041.php Nederlandsche Legenden in rijm gebracht door Mr. J. van Lennep. IIIde en IVde Deel. Te Amsterdam, bij P. Meijer Warnars. 1829. In gr. 8vo. 157 en 179 Bl. f 6-:]

Etymologie

afleiding van wantrouwig