wasdag
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- dag van de week dat men wast, vroeger was dit vaak de maandagMet windkracht 4 in de rug bereiken we het onstuimig meanderende Reitdiep. Tijd voor een bakkie bij café Hammingh. Maandag, wasdag: baas Bert zet net de terrasramen in een weelderig schuimend sopje. Officieel zit de uitspanning op slot, maar Bert maakt graag een uitzondering voor de twee vreemdelingen die letterlijk zijn komen aanwaaien.de Telegraaf ROBERT B.P. VAN WEPEREN 19 mrt. 2016Het is vandaag maandag, en voor veel mensen betekent dat nog steeds 'maandag wasdag. Maar daar zou een eind aan moeten komen. Consumenten moeten vaker wassen op het moment dat de elektriciteitsprijzen het laagst zijn. En energieleveranciers en app-makers moeten hen hierbij helpen, spoort de ACM de bedrijven aan.de Telegraaf GUUS LIEKAMM 27 jul. 2015
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek