weerwil
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- ondanks iets gebeurt het tochIn weerwil van de regen en de storm hadden de scouts toch een prima kampeerweekeinde gehad.In weerwil van alle tegenwerking had ze toch maar als eerste haar diploma gehaald.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek