werkbroek

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een stevige broek die je draagt als je zwaar en vuil werk moet doen
    Beeldbepalende onderdelen van dit uniform in donkerblauwe kleur met felle gele strepen zijn; de cap, de polo en all weatherjacket, een werkbroek (worker) en hoge schoenen. De manier waarop een politieagent (m/v) zich presenteert zegt iets over de kwaliteit van het politiewerk.de Telegraaf 04 jan. 2018
    Pier Eringa lijkt me een leuke man. Hij poseerde in de Volkskrant (Economie, 27 augustus), inclusief laarzen, overhemd en een rommelige werkbroek. Hij zit duidelijk op zijn plaats als baas van ProRail. Intern pookt hij zijn tent fors op. En extern geeft hij ProRail langzamerhand een betrouwbaar imago.Volkskrant Wim Derksen 30 augustus 2016

Vertalingen

Engelsworking trousers