wild
onzijdig (het)/wɪlt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- dieren die niet onder menselijke beheersing zijn opgegroeid
- iets dat niet onder menselijke beheersing valtWe kampeerden in het wild langs beken en zagen zelden andere mensen.
- vlees van een wild dier
Etymologie
In de conformistische dagen van nu is de tentoonstelling meer dan een overzicht van leven en werk van een geliefde Drentse blueszanger. Het is ook de expositie van een voorbij tijdperk. De posters en de platenhoezen verhalen over meer dan over muziek alleen. Ze vertellen over jong en wild zijn, langharig, in spijkerbroek. Over bier, liefde en verdriet. Het maakt nostalgisch. Om de blues van te krijgen.
Uitdrukkingen
- Zijn wilde haren verliezen — minder gekke dingen gaan doen
Vertalingen
Engelswild, savage, game
Duitswild, Wild, Wild
Spaanssalvaje
Poolsdziki, dzika, dzikie
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek