wipbrug
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈwɪbrʏx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- brug waarvan de vloer draait om een horizontale als en waarvan het korte deel verzwaard isBoven den houten vloer heeft zoo'n wipbrug een hooge poort en boven op die poort ligt een heel groot ding uit van balken en dwarshouten en een zoldertje en een heele groote ketting hangt van het zoldertje af recht naar beneden in de lucht. (1920)–Lodewijk van Deyssel [https://www.dbnl.org/tekst/deys001verz17_01/deys001verz17_01_0273.php De wandeling]
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek