wipstoel

mannelijk (de)/ˈwɪpstul/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zetel waarin je comfortabel voor- en achterover kunt schommelen
    De Arabier was jong en brutaal en ging op een avond op een wipstoel zitten in haar voorgalerij, zeggend dat hij ditmaal niet meer weg zou gaan voor zij hem schadeloos gesteld had op de een of andere wijze.

Uitdrukkingen

  • Woord is vooral gangbaar voor dit soort stoelen in warme landen als het vroegere Nederlands-Indië.

Vertalingen

Engelsrocking chair, rocker, chaise à bascule
Fransberceuse, rocking-chair
DuitsSchaukelstuhl
Spaanssilla mecedora, mecedora, balancín