zaagwerk

onzijdig (het)/ˈzaxwɛrᵊk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. inspanning waarbij een of meer harde voorwerpen door het heen en weer bewegen van een scherp getand blad in stukken worden verdeeld
    Zo’n bot krijg je niet gekliefd, dat kan hooguit de slager voor je doen met zo’n snerpende botzaag. Dus na een tijdlang kliefpogingen en zaagwerk besluit Julie het bot toch maar een paar minuten te pocheren.
    Daarna wordt de stronk met een bijl in vieren gekliefd en begint het zaagwerk, oorverdovend en onverbiddelijk, want slechts 25 procent van de boom eindigt als ton.
  2. figuurlijk (figuurlijk) met veel inspanning snijden of kauwen van taai of hard voedsel
    Het machtige, donkerbruine gebak vereist enig zaagwerk, maar is een feest op de tong, mede dankzij het zuurtje van de verse aarbeien.
  3. figuurlijk, informeel (figuurlijk) (informeel) muziek of andere activiteit die een luid raspend geluid maakt
    Wat een gruwelijk staaltje zaagwerk, als je dit opschroeft naar een hoger tempo is dit ziek!
  4. versiering of voorwerp uit zorgvuldig op maat gemaakte stukjes hout
    {{ouds
  5. bouwkunde (bouwkunde) gevelversiering in de vorm van een kartelrand
    Veranda's en landelijke ornamentiek als geschulpte daklijsten en zaagwerk in hout en gegoten ijzer benadrukken het buitenkarakter van het huis.
  6. bouwkunde, militair (bouwkunde) (militair) vestingwerk dat van boven gezien uit een reeks naar binnen en buiten stekende punten bestaat, zodat aanvallers van de ene punt altijd van opzij kunnen worden bestookt vanaf een andere punt

Etymologie

*[3], [4]