zaligheid
vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) een toestand waarin men gerechtvaardigd is tegenover GodDe zaligheid van paus Johannes Paulus II is onlangs door de huidige paus afgekondigd.
- overdrachtelijk iets geweldig fijnsWat een zaligheid dat je eindelijk voor dat examen geslaagd bent!
Etymologie
*afgeleid van zalig
Vertalingen
Engelssalvation, bliss, beatitude
Spaanssalvación, gloria, salud eterna
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek