zegen

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈzeɣə(n)/

Wat is de betekenis van zegen?

zegen betekent: verlening van goddelijke of bovennatuurlijke bijstand

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verlening van goddelijke of bovennatuurlijke bijstand
  2. afroeping van goddelijke of bovennatuurlijke bijstand over iemand, met name door een lid van de geestelijkheid
  3. voordeel of gelukkige omstandigheid die als goddelijke of bovennatuurlijke bijstand wordt opgevat
  4. instemming van een persoon of instantie wiens daadwerkelijke of morele steun belangrijk is
zelfstandig naamwoord
  1. visserij (visserij) breed en naar verhouding niet erg hoog sleepnetVistuig bestaande uit een van drijvers voorziene bovenpees en een verzwaarde onderpees met daartussen het netwerk met een, al dan niet van een inkeling voorziene uitstulping of zak en waarvan de aan de boven- en onderpees bevestigde lijnen een lengte van ten hoogste 100 m hebben of, in geval de bovenpees langer is, niet langer dan de lengte van de bovenpees.[https://web.archive.org/web/20100303025532/http://www.hogb.nl/projecthogb/wetten/visserijwet/reglementvdbinnenvis85.html Reglement voor de binnenvisserij 1985]

Voorbeelden van "zegen" in een zin

  • Er rustte een zegen op zijn gehele huis.
  • De voorganger eindigde de dienst met het uitspreken van de zegen.
  • Dat je weer op de been bent is echt een zegen!
  • Veel heil en zegen! (nieuwjaarswens).
  • Veel belangrijker nog, ik had de tocht niet kunnen lopen zonder haar zegen en support en ben eeuwig dankbaar voor de vrijheid die ze mij gaf.

Etymologie

*[B] via Middelnederlands "seghene", Oudnederlands "sagina" en Latijn "sagena" van "σαγήνη" (sagènè) "sleepnet", in de betekenis van ‘visnet’ aangetroffen vanaf 1240, en in

Vertalingen

Engelsblessing, boon, seine
Fransbénédiction, seine
Spaansbendición, traína