zelfbeheersing

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het in bedwang houden van eigen gevoelens, zoals emoties of kwaadheid.
    Hij heeft als het er op aankomt geen zelfbeheersing.
  2. de beheersing van het eigen gedrag

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘het in toom houden van zijn gevoelens’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1801

Vertalingen

Engelsself-restraint