zelfbouwer

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die zelf de leiding neemt bij de bouw van zijn huis
    Bouwen in eigen beheer vergt het nodige van de initiatiefnemers. Aardig is de profielschets die Van den Nieuwenhof geeft. Een goede zelfbouwer heeft volgens haar doorzettingsvermogen nodig, onderscheidt hoofdzaken van bijzaken, kan goed met tegenslag omgaan en heeft voldoende tijd over. Reformatorisch Dagblad Gert de Looze 13-11-2009 [https://www.rd.nl/meer-rd/consument/bouwer-van-een-eigen-woning-moet-tegen-een-stootje-kunnen-1.126185 Bouwer van een eigen woning moet tegen een stootje kunnen]
    De KWB wil ook dat doe-het-zelvers een opleiding moeten kunnen volgen als voorwaarde om in aanmerking te komen als geregistreerde "zelfbouwer". De Standaard 23/05/2008 [http://www.standaard.be/cnt/b24050143080523 KWB pleit voor vereenvoudiging energiepremiebeleid]
    Een zelfbouwer heeft nu eenmaal andere verwachtingen van zijn architect dan een bouwheer die alles uitbesteedt. De Standaard 24/02/2016 [http://www.standaard.be/cnt/dmf20160223_02145620 Zo kies je de perfecte architect]