zelfzekerheid
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (al te groot) zelfvertrouwenTegelijk is die onwrikbare zelfzekerheid een van de charmes van Smeets: zo arrogant kan hij zijn dat het haast aandoenlijk wordt, en je het hem bijna zou vergeven. Waarschijnlijk is dat ook de reden waarom Vlamingen na Vive le Vélo vaak nog De Avondetappe meepikken: stiekem genieten we van onze ergernis aan de Spetterende Spraakwaterval genaamd Smeets. HP de Tijd ANN DE CRAEMER 2 JUL 2013 [https://www.hpdetijd.nl/2013-07-02/wanneer-wordt-mart-smeets-geschiedenis/ Wanneer wordt Mart Smeets geschiedenis?]Scholte speelt de superieure sofist die als geen ander weet dat we in niets moeten geloven, en dat alles schijn en bedrog is. Maar wie deze impasse - én zijn eigen impasse - denkt te kunnen illustreren met de zelfzekerheid van een onheilsprofeet, bedriegt ook nog zichzelf. NRC Dirk Pültau 11 november 1997 [https://www.nrc.nl/nieuws/1997/11/11/doorprikbare-ironie-van-rob-scholte-7375362-a1369112 Doorprikbare ironie van Rob Scholte]
- bestaanszekerheidDe wens macht te hebben over anderen is vermoedelijk terug te voeren tot de truc die zuigelingen uithalen om ouders voor hun kar te spannen ten behoeve van hun eigen zelfzekerheid. NRC Arnold Fellendans 12 september 1995 [https://www.nrc.nl/nieuws/1995/09/12/business-als-het-zoeken-naar-nieuwe-vormen-van-relaties-7280555-a239759 Business als het zoeken naar nieuwe vormen van relaties]
Etymologie
*afgeleid van zelfzeker
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek