zet

mannelijk (de)/zɛt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een beweging waarbij iets verplaatst wordt, een duw of stoot
    Ik heb hem een zet gegeven.
  2. spel (spel) een handeling gedurende een spelbeurt
    Bij schaken heeft wit de eerste zet.

Etymologie

* van zetten.

Uitdrukkingen

  • strijk-en-zet
  • Strijk en zet gebeurenerg vaak gebeuren

Vertalingen

Engelspush, move
Franscoup, bourrade, coup
DuitsStoß, Zug
Spaansempujón, movimiento
Italiaansspinta, mossa
Zweedsknuff, drag