zet
mannelijk (de)/zɛt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een beweging waarbij iets verplaatst wordt, een duw of stootIk heb hem een zet gegeven.
- (spel) een handeling gedurende een spelbeurtBij schaken heeft wit de eerste zet.
Etymologie
* van zetten.
Uitdrukkingen
- strijk-en-zet
- Strijk en zet gebeuren — erg vaak gebeuren
Vertalingen
Engelspush, move
Franscoup, bourrade, coup
DuitsStoß, Zug
Spaansempujón, movimiento
Italiaansspinta, mossa
Zweedsknuff, drag
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek