zetel

mannelijk (de)/ˈzetəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. meubel (meubel) constructie bestemd om prettig op te zitten
  2. comfortabel bekleed zitmeubel in salonOorspronkelijke betekenis, in Nederland niet meer gangbaar
    Hij zat onderuit in zijn zetel.
  3. plechtige aanduiding voor een zitplaats
    De koning verhief zich van zijn zetel en sprak het gezelschap toe.
  4. figuurlijk (figuurlijk) lidmaatschap van een raad of vergadering met een beperkt aantal leden
    Deze partij zal wel een paar zeteltjes in moeten leveren bij de verkiezingen.
  5. juridisch (juridisch) plaats waar een organisatie gevestigd is
    De zetel van het Europese Hof is in Luxemburg.
  6. (België) nevenvestiging van een organisatie

Etymologie

*van Middelnederlands "setel", in de betekenis van ‘zitplaats’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285

Vertalingen

Engelsseat, seat, seat
Franssiège, siège, siège
DuitsSitz, Sitz, Mandat
Spaansasiento, cargo, sede