bank

mannelijk/vrouwelijk (de)/bɑŋk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. materiaalkunde (materiaalkunde) breed houten of metalen voorwerp waarop mensen kunnen zitten
  2. harde langwerpige constructie zoals die vaak in kerken, openbaar vervoer en buiten is te vinden
    Hij voerde de eendjes vanop de bank in het park.
    Op de ochtend dat hij bij het Skelton werd verwacht, zat hij op een bank midden op het plein op me te wachten.
  3. meubel (meubel) comfortabel bekleed meubelstuk waar meer mensen naast elkaar op kunnen zitten
    Ze zaten op de bank naar de tv te kijken.
    Hierna ging ze tegenover me op een versleten bank zitten en drapeerde, als op een bruidsstoel, de kamerjas om zich heen De kamer stond vol met boeken, voornamelijk poëzie en boeken met titels die naar bloedige en tumultueuze verhalen verwezen, gebeurtenissen die me vaag bekend voorkwamen.
  4. financieel (financieel) instelling die geld beheert en uitleent
    De bank verlaagde de rente.
    Vooropgesteld dat ze de bank zover konden krijgen bepaalde leningen te garanderen in een branche die de meesten nu de rug toekeerden in verband met die huurregeling.
  5. waterbeheer (waterbeheer) een ondiepte in het water
    De boot was op een bank vastgelopen.
  6. bouwkunde, financieel (bouwkunde), (financieel) gebouw waarin een als bij [2] genoemde financiële instelling gevestigd is
    Ik ging naar de bank om de hoek.
    Vader was naar de bank om te praten over een lening.
  7. een opslagsysteem voor gegevens of voorwerpen b.v. beeldbank, bloedbank, boekenbank, kennisbank, spermabank
    Ik heb al mijn gegevens gekopieerd naar een databank.
  8. geologie (geologie) harde aardlaag
  9. meteorologie (meteorologie) donkere laag of streep van wolken aan de horizon
    Een bank van wolken.
  10. werktuigbouwkunde (werktuigbouwkunde) werktafel, zoals een draaibank etc.
    Aan een werkbank werk je meestal staande.

Etymologie

* Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘geldbank’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1467

Uitdrukkingen

  • Op de bank zittenGeen werkopdracht hebben
  • Het niet onder stoelen of banken stekenJe niet stil houden, maar je mening openlijk uiten
  • Voor stoelen en banken pratenMaar weinigen die naar iemands verhaal luisteren
  • Zo zeker als de bankIemand die in alles te vertrouwen is
  • [3] : bank

Vertalingen

Engelscouch, sofa, bench
Franscanapé, banque
DuitsSofa, Bank, Bank
Spaanssofá, banco, banco
Italiaansdivano, banca
Portugeesbanco
Russischсофа
Chinees沙發, 沙发, 银行
Japansソファー, 銀行
Koreaans소파
Arabischمصرف
Poolskanapa, bank
Zweedssoffa, bank, bank
Deensbænk, bank, banke