zielsrust

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈzilsrʏst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de kalmte die iemand heeft die een deugdzaam leven leidt
    Op de kansel echter „getuigde hij met warmte voor den Christus, Die hem dierbaar was, en drong hij zijne hoorders om aan diens hand tot den Vader te gaan en des Vaders eere en eigen zielsrust te zoeken in het leven des geloofs en der hoop en der liefde.” Reformatorisch Dagblad Jaco van der Knijff 24-12-2014 [https://www.rd.nl/muziek/j-j-l-ten-kate-geroemde-en-verguisde-dominee-dichter-1.438828 J. J. L. ten Kate: Geroemde en verguisde dominee-dichter]
    Nie wieder, prevelden wij nog, maar het had geen zin. Hij had zijn trauma verwerkt. Wij blijven nu over met een vers omgeploegd verleden en nood aan zielsrust. De Standaard 31 MEI 2008 [http://www.standaard.be/cnt/ph1sjb41 Groet God]