zien
/zin/
Wat is de betekenis van zien?
zien betekent: (ov) waarnemen met het oog
Betekenis
werkwoord
- (ov) waarnemen met het oog
- (inerg) het vermogen hebben om met het oog waar te nemen
- (inerg) een bepaald gezicht trekken, eruitzien als, de indruk geven van
- ergens een mening over hebben
- (refl) (auxl) zich + volt. deelwoord + ~: maakt een wederkerende constructie
- proberen, moeite doen
- (als) beschouwen
Voorbeelden van "zien" in een zin
- Ik kan die afbeelding van zo'n afstand niet goed zien.
- Waarom had ik geen donder gehoord of bliksem gezien tijdens mijn tocht omhoog?
- Toen ik de gigantische muur inktzwarte wolken op me af zag komen barstte ik in tranen uit.
- Hij was dolblij dat hij na het ernstige ongeluk toch nog kon zien.
- Hij zag erg boos.
Etymologie
:: šotri
Uitdrukkingen
- zwart zien van
- Abraham gezien hebben — ouder dan 50 jaar zijn (mannelijk)
- Als apen hoger klimmen willen, ziet men gauw hun blote billen. — zich voornamer voordoen dan men in het echt is, met gezichtsverlies tot gevolg
- De pot verwijt de ketel dat die zwart ziet — een ander aanwijzen als schuldige, terwijl die zelf hetzelfde gedaan heeft
- De tanden laten zien — zich heel erg fel verdedigen
- De zon niet in het water kunnen zien schijnen — jaloers zijn, iets niet kunnen verdragen
- Die staat ziet toe dat hij niet valle. — mensen die alles denken te weten of kunnen, moeten zelf maar oppassen voor fouten en problemen
- Doe wel en zie niet om. — doe datgene wat je doet goed, doe goede daden, maar verwacht niet geprezen te worden of een dankje wel daarvoor
Vertalingen
Engelssee, see
Fransvoir, voir
Duitssehen, übersehen
Spaansver
Italiaansvedere
Portugeesver
Russischвидеть
Chinees看, 睇
Japans見る
Koreaans보다
Arabischرآى
Turksgörmek
Poolswidzieć, dostrzegać, patrzeć
Zweedsse
Deensfå øje på, se
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek