zout
onzijdig (het)/zɑut/
Wat is de betekenis van zout?
zout betekent: alledaagse naam voor keukenzout bedoeld (natriumchloride)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- alledaagse naam voor keukenzout bedoeld (natriumchloride)
- (scheikunde) een verbinding die bestaat uit een metaal en een zuurrest
- een van de vijf smaken
Voorbeelden van "zout" in een zin
- Kunt u het zout even doorgeven?
- ('Mag ik het zout even?' 'Natúúrlijk!') Gek genoeg leek Joy mijn rol te hebben overgenomen, ze was bijzonder spraakzaam en richtte haar pijlen volledig op de ober.
- Ze kon het zout in de lucht bijna proeven.
- Salmiak is een zout van ammonia en zoutzuur.
- Het was fascinerend om te zien hoeveel zout ik verloor: na dagen zonder douche stond mijn shirt stijf van de zoute strepen en bleef het bijna rechtop staan.
Etymologie
:Oost: : salt (n)
Uitdrukkingen
- Het zout in de pap niet verdienen — Heel erg weinig verdienen
- Met een korrel[tje] zout nemen — Iets niet al te serieus of zwaar opvatten
- Met het zout komen als het ei op is — Pas met een oplossing komen als het probleem er niet meer is
- Op alle slakken zout leggen — Over alle onbelangrijke dingen/ kleinigheden commentaar hebben/klagen; ieder minuscuul en onbeduidend foutje bekritiseren
- Zout in de wond strooien — Iets wat toch al vervelend is nog eens extra benadrukken of nog meer verergeren
- Het nog nooit zo zout gegeten hebben — Nog nooit eerder zoiets geks, raars of vervelends hebben meegemaakt of ervaren
Vertalingen
Engelssalt, salty
Franssel, salé
DuitsSalz, salzartig, salzig
Spaanssal, salino, salado
Italiaanssale
Russischсоль
Japans塩, しお, shio
Turkstuz, tuzluluk, tuzlu tat
Poolssól, słony
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek