zoutpan

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈzɑutpɑn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. uitgedroogde bedding van een meer of zeearm die bedekt is met zout
  2. vijver waarin pekel wordt verdampt bij de zoutwinning
  3. grote metalen kuip gebruikt bij het zoutzieden