zoutpan
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈzɑutpɑn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- uitgedroogde bedding van een meer of zeearm die bedekt is met zout
- vijver waarin pekel wordt verdampt bij de zoutwinning
- grote metalen kuip gebruikt bij het zoutzieden
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek