zuigen
Wat is de betekenis van zuigen?
zuigen betekent: een verlaagde druk aanleggen met de mond of met een apparaat
Betekenis
- een verlaagde druk aanleggen met de mond of met een apparaat
- (van jonge kinderen en dieren) de moedermelk uit de tepels in zich opnemen
- (informeel) doorgaand treiteren, telkens opnieuw beginnen over iets met de bedoeling iemand anders kwaad te maken
Voorbeelden van "zuigen" in een zin
- Deze machines zuigen aan de bovenkant warme lucht aan.
- Zit niet zo te zuigen!
Betekenis en uitleg van zuigen
Het woord 'zuigen' verwijst naar de handeling van het aanzuigen van lucht of vloeistof met behulp van de mond of een ander hulpmiddel. Het kan ook gebruikt worden om te beschrijven dat iets of iemand energie of kracht onttrekt.
Je kunt 'zuigen' gebruiken in verschillende contexten, zoals bij het drinken van een drankje met een rietje of het zuigen van een stofzuiger. Het woord heeft ook een informele betekenis, waarbij het kan duiden op het onttrekken van energie, bijvoorbeeld wanneer iemand zich uitgeput voelt door de drukte om hen heen. In die zin kan het ook een negatieve connotatie hebben.
Voorbeelden
- De baby begon te zuigen aan haar fopspeen, zichtbaar tevreden.
- Tijdens de storm hoorde je de wind zuigen door de kieren van het huis.
- Hij voelde zich helemaal uitgeput; het werk begon hem echt te zuigen.
Woordoorsprong
Het woord 'zuigen' komt van het Oudnederlands 'sūgōn', wat hetzelfde betekent. Het is verwant aan woorden in andere Germaanse talen die ook de betekenis van aanzuigen hebben.
Veelgestelde vragen over zuigen
Wat is de betekenis van zuigen?
zuigen betekent: een verlaagde druk aanleggen met de mond of met een apparaat
Hoeveel betekenissen heeft zuigen?
zuigen heeft 3 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.
Hoe gebruik je zuigen in een zin?
Voorbeeld: “Deze machines zuigen aan de bovenkant warme lucht aan.”
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands sūghen, uit Oudnederlands sūgan, ontwikkeld uit Oergermaans *sūgan-, bij Indo-Europees *seuḱ- ~ *seuǵ- ‘zuigen’, waartoe ook Latijn sūgere ‘zuigen’, sūcus ‘sap’, Litouws suñkti ‘uitpersen, filtreren’ en Oudkerkslavisch sŭsati ‘zuigen’ behoren. Evenals Nederduits sugen, Duits saugen, Fries sûg(j)e en IJslands sjúga.
Uitdrukkingen
- Ergens een punt(je) aan kunnen zuigen — Gezegd van de prestatie van een ander die niet makkelijk valt te evenaren
- Iets uit zijn duim zuigen — Iets fantaseren, verzinnen